Kunstcriticus Fernand Haerden Solotentoonstelling Cultureel Centrum Maasmechelen mei 2011

 
Elke rechtgeaarde kunstenaar verovert zich in een zeer persoonlijk idioom een eigen biotoop. Waarmee ik bedoel dat hij een eigen beeldtaal creëert, die gekoppeld is aan de specificiteit van zijn persoonlijkheid, en tegelijk een eigen thematisch veld/een aantal steeds weerkerende themata bewerkt, waarin die beeldtaal zich ontwikkelt. De ene kunstenaar voedt zich hoofdzakelijk met impulsen uit de externe omgeving, een ander met meer van binnenuit werkende krachten.
Voeg daarbij dat hij tevens behoefte heeft aan een algemeen artistiek klimaat, waarin zijn werk kan gedijen. Wat geldt voor de schilderkunst, die op zeker moment afgeschreven leek, maar op dit moment opnieuw een hoge vlucht neemt dankzij de durf en de kunde van enkele toen dwarsliggers genoemden, nu gerenommeerde iconen, met zulk een uitstraling dat het lijkt alsof er nu maar één manier van schilderen meer bestaat, zo heeft ook de driedimensionale kunst zulk een klimaat nodig. Een klimaat waarbij van de kunstenaar niet (meer) verlangd wordt dat hij puntgave, afgelikte adonismooie beelden aflevert, maar wel werken die in hun expressiviteit de gekneusde ziel, het getormenteerde hart van de uit het paradijs verjaagde mens weergeven. Een klimaat waarin aan de kunstenaar de vrijheid gegeven wordt –  de vrijheid die zijn recht is – om  een werk te creëren in de vorm en met de materialen die hij daartoe geëigend acht. Wie die vrijheid niet respecteert, pleegt roofbouw op die vrijheid enerzijds, toont zijn onkunde dienaangaande anderzijds.
Gelukkig voor de driedimensionale kunst heeft zij niet de strijd om haar bestaan moeten voeren zoals de schilderkunst, want dankzij het expressionisme van het begin van de 20ste eeuw zijn haar (schijnbare) lelijkheid en imperfectie gegund als reactie op het al te modieuze streven naar virtuositeit en oppervlakkige schoonheid. Een streven naar de al te beperkte omschrijving van schoonheid, die zo eigen was aan de academische kunst van de 19deeeuw bv., maar waar komaf mee gemaakt werd door de “Balzac” van Rodin. Door de “Lijfeigene” van Matisse.
Waarom ik het over beeldhouwkunst heb en niet over keramische kunst? Omdat de exposant van vandaag, Eddie Symkens, wel keramische beelden maakt, maar een opleiding als beeldhouwer heeft gehad en ook als beeldhouwer denkt en werkt.
Eddie Symkens, geboren te Menen, maar al decenniën wonend te Maasmechelen, heeft een opleiding gevolgd aan de Stedelijke Academie voor Plastische Kunsten te Genk, volgde ateliers bij o.a. beeldhouwer Jan Praet en bronsgieter-beeldhouwer Emile Voeten. Met een team van de Vrije Universiteit Brussel ontwikkelde hij het beeldhouwmateriaal vubonite, een op polyester lijkend gietmateriaal, dat gebruikt wordt voor glasvezelversterkend vormwerk en dat bijzonder sterk en weerbestendig is. Het hier aanwezige “Transhuman” is in vubonite vervaardigd. Welnu, Eddie Symkens is voor het Maaslandse en zeker voor het Maasmechelse publiek een onbekende, hoewel hij al jaren als kunstenaar actief is en tentoonstelt en dat niet alleen in Nederland, waar hij wel bekend is.
Zo werd hij in 2005 geselecteerd voor het boek “14 hedendaagse kunstenaars”. Behaalde hij in 2006 de eerste prijs beeldende kunsten van de stad Dilsen-Stokkem, waarvoor hij dan ook een kunstwerk realiseerde. In 2007 werd hij geselecteerd voor “Beeldig Limburg”, beeldhouwwerken van 11 Limburgse kunstenaars. Nam hij meermaals deel via zijn galerie aan Lineart Gent, zal hij in 2011 tentoonstellen in galerie Jorg te Liederkerken, in Art Gallery 3G te Sittard, heeft hij zopas deelgenomen aan Kunst in Valkenburg  en gaat hij deze zomer tevens deelnemen aan Kunstroute Vaals en Beeldig Limburg.
Maar vandaag tot en met 26 juni stelt hij tentoon in Galerie Oost van dit Cultureel Centrum. Hij presenteert er keramische sculpturen van recente datum. In tegenstelling met beeldhouwkundig werk zal hij geen overtolligheden moeten wegkappen/verwijderen om tot de essentie te komen, maar zal hij integendeel essentiële elementen moeten samenbrengen/samendrukken a.h.w. om tot een geheel te komen. Het scheppend gevoel is daarom  bij dit soort werk wellicht (nog) groter dan bij ander werk, net omdat het uitsluitend gaat om een groeiproces, een ontstaansproces. Er is geen sprake van elimineren, zoals gezegd, wel van toevoegen en samendrukken, ophopen, constitueren. Voor Eddie Symkens is dit creatief proces niet in hoofdzaak een vormelijk proces/gebeuren, - hoewel die vorm  m.i. een heel belangrijke rol speelt, - maar primeert volgens eigen zeggen het mentale/beschouwende proces. Vandaar dat hij ook niet streeft/of hoeft te streven naar een perfecte vormgeving, een anatomisch verantwoorde vorm, omdat de figuren die hij creëert, wel hominiden genoemd kunnen worden, op de menselijke figuur geënte vormen zijn, die evenwel op geen enkele wijze aan die figuur verantwoording verschuldigd zijn. De mens als gekneed wezen – maar verre van af – wordt opgevoerd en ziet zich geplaatst voor/in diverse situaties, die niet altijd comfortabel kunnen genoemd worden. In een wereld bovendien die niet tot grote vreugde stemt.
Als men soms zegt dat een werk de afdruk van een kunstenaarshand moet bevatten, is dat zeker het geval voor dit werk, dat uit zuiver kneed-, duw- en aanraakvormen bestaat. Niets van de initiële aanpak gaat verloren, alles blijft zichtbaar. Elke druk van de hand laat een teken, een plek, een deuk achter op wat we terecht de huid van het werk mogen noemen. In feite zou ik van het meest recente werk moeten zeggen dat die afdruk op de huid, de huid zelf geworden is. Net zoals het totale werk geen beeld meer is, maar een artistiek ding met een uniek, zelfstandig karakter. Bevrijd van de anatomie. Zichzelf bevrijdend ook van de omgeving, de wereld waarin het toch is beland. Een ding, een object wordt het dus,  maar wat voor een, in een artistiek proces!    Als ik spreek van een ding of een object, dan doe ik dat om het werk een volwaardige status te geven, een zelfstandigheid die losstaat, loskomt  van de realiteit, en als dusdanig moet bekeken en beoordeeld worden. Eddie Symkens noemt het een beschouwend proces, waarbij de indruk gewekt wordt dat er naar inhouden gezocht moet worden, wat m.i. niet het geval is. Hij bedoelt daar dan wellicht mee dat dit werk onlosmakelijk  gekoppeld is aan de condition humaine, het menselijk lot, dat maar beleefd en ondergaan kan worden dankzij zelfkennis, bewustwording, inzicht … Een bewustwording en een inzicht die van binnenuit gestuurd worden, en die net zoals bij de blind geworden  Oedipus  ogen overbodig maken, omdat de wereld die ze willen zien een innerlijke wereld is. Trouwens, zei Oedipus niet dat hij ziende blind was en blind geworden inzicht kreeg in de wereld buiten hem en in hem?
Welnu, wie deze keramische figuren bekijkt, niet nieuwsgierig maar met veel empathie, kan niet anders dan de  immens expressieve kracht ervan ontdekken. Een expressiviteit die haar kracht ontleent aan zowel de beweging als aan de gelaagdheid, de ruwheid, de elkaar letterlijk overlappende stukken, repen, brokken klei waaruit  het opgebouwd is. Hier speelt de vorm onmiskenbaar een cruciale rol en is ze dé bouwsteen van dit werk. Nu weet ik wel dat dit niet altijd zo geweest is in het keramisch werk van Eddie Symkens  en dat er eerst sprake is geweest van vervorming in de volumes. Een vervorming die er trouwens nog steeds is. Die een essentieel kenmerk ervan geworden is. Maar dan  in werken met een eerder gladde huid. Een vervorming bovendien die de hominide figuren in hun beweeglijkheid afremde. Nu zitten we dus in een fase waarin zowel de vervorming, de onafgewerkte huid als de beweging zich  osmotisch beïnvloeden, waardoor een werk ontstaat dat zich lichamelijk- dus vormelijk- naar buiten ontwikkelt, met rijk geschubde opperhuid, maar zich toch in een contemplatief gebaar - met gesloten ogen - van die buitenwereld afkeert. Deze gesloten gezichten doen wel eens denken aan de gezichten van “De blinden” van Pieter Bruegel de Oude. Wat afgeplat. Maar zo expressief. Soms heb je de indruk dat hij zijn figuren van hun vrijheid wil beroven. Hun beweeglijkheid beknot door een bewust plompe vormgeving, maar ze bovendien zo deskundig op de een of andere wijze insnoert, dat ze een soort gratie en bevalligheid verkrijgen die aandoenlijk is. Een gratie en bevalligheid, waar ze in een verdoken behaagzucht soms om lijken te vragen. Waardoor een zeer sterk gevoel, een drang naar beleving dus de beschouwing en de idee verdringt. Want enerzijds stralen de figuren een enorme kracht uit met hun vooruitgestoken kop – die zo typisch de hand van Eddie Symkens verraadt – en hun gewichtig lijf/ledematen/achterste, maar wat ze aan kracht etaleren, boeten ze tegelijk in een soort onmacht weer in. Dat maakt ze gevoelsmatig zo menselijk, hoewel ze zich vormelijk dus van die mens en zijn eeuwig streven naar schoonheid willen verwijderen.
Eddie Symkens is – lijk  ik reeds heb aangehaald – in zijn huidig werk op zoek naar beweging  en vindt die in de hedendaagse dans. Ik heb het dan niet over het klassieke ballet, waarin net perfectie en verfijning opgezocht worden, maar over de dans zoals die door de in 2009 overleden Duitse choreografe Pina Bausch gepredikt werd. Een dans die ook niet aan perfecte lijven voorbehouden was. Of een dans zoals die door Jan Decorte en zijn gezelschap wordt  uitgevoerd in een onmachtig, wat onbehouwen, maar daardoor beladen en ontroerend spel van bewegingen.
Daarstraks had ik het over de keramist Eddie Symkens, die zich als beeldhouwer gedraagt. Dit hele oeuvre – dat hoofdzakelijk uit figuren, personen bestaat, - bewijst de drang van de kunstenaar om boven de aarde/de klei/de materie uit te stijgen in de creatie van rechtopzittende/rechtopstaande figuren, die mee het lot van de mens willen dragen en trotseren. Met zelfbewustheid en waardigheid, maar die door hun onhandig lijf op begrip en empathie onzerzijds beroep moeten doen. Laten we ons verheugen in hun wil om mede ons lot te helpen dragen.